Midden- en bovenbouw

De midden- en bovenbouw bieden plaats aan kinderen in respectievelijk de leeftijd van zes tot negen jaar en negen tot twaalf jaar.

Let us give the world to the child, a vision of the whole universe. Let us sow the seeds of all the sciences.
Maria Montessori

De benadering van deze kinderen wordt in het Montessori-onderwijs ‘kosmisch onderwijs’ genoemd. Kosmisch onderwijs is onderwijs gericht op hoe de wereld en de menselijke samenleving functioneren: de waarde van samenwerken, het belang van de natuur voor de mens en solidariteit.
De kinderen willen de kosmos, het grote geheel, ontdekken en begrijpen. Deze kinderen worden ook wel de ‘avonturiers’ genoemd. De leeromgeving is de wereld om hen heen. De kinderen reizen in tijd en ruimte, ze gebruiken hun verbeeldingskracht.

In deze periode perfectioneren de kinderen hun dagelijkse handelingen maar ook hun sociale relaties. De kinderen zijn op zoek naar mentale en morele onafhankelijkheid. Dit wordt gekenmerkt door het kind als ‘help mij om zelf te denken’.
Een karaktereigenschap van het kind in deze leeftijd is de nieuwsgierigheid met betrekking tot de moraal. Deze periode wordt ook wel de ‘waarom’-periode genoemd. De zaden voor kennis, begrip, cultuur en wetenschap worden tijdens deze jaren gezaaid. Deze kinderen willen de wereld en de mensheid begrijpen. De kinderen hebben grote mentale krachten: ze kunnen zichzelf inleven, ze hebben de kracht om te redeneren en ze hebben een goed geheugen. We noemen deze periode ook wel de intellectuele periode. In deze periode wordt een meer abstract niveau in denken, vragen en redeneren bereikt. Kinderen ontwikkelen hun bewustzijn, ze willen weten wat goed en kwaad is. Eerlijkheid is erg belangrijk voor deze kinderen.
De kinderen zijn erg geïnteresseerd in hun leeftijdsgenoten en samen bouwen ze wat Montessori een ‘practice society' noemt.

Kosmisch Onderwijs

Willen weten hoe de maatschappij functioneert. De waarde van werken beleven. Het belang van de natuur en onze afhankelijkheid van de natuur en elkaar ontdekken. Samen werken en solidariteit zijn sleutelwoorden voor onderwijs in deze ontwikkelingsfase.

De samenleving in de praktijk

Kinderen in de midden- en bovenbouw zijn in staat om hun werk zelf te organiseren. Ze werken samen, maken hun eigen regels en verdelen het werk. Ze leren hoe de samenleving werkt en hoe mensen samenleven. Ze beleven dit op hun eigen manier, in hun eigen ‘mini’-samenleving. Ze leren dat een individu zich niet kan ontwikkelen zonder de samenleving en dat er geen samenleving is zonder het individu.

De voorbereide omgeving

Kinderen in de midden- en bovenbouw onderzoeken op een concretere manier. De materialen worden abstracter. Ze willen onafhankelijk zijn en deelnemen aan de maatschappij. Ze willen het klaslokaal uit, op onderzoek, verslag uitbrengen, hun kennis delen met anderen. Zij maken hun omgeving en geven aan wat ze nodig hebben.

De volwassenen

De kinderen organiseren hun eigen werk. Ze kiezen groepswerk, hebben discussies en bespreken morele zaken. Midden- en bovenbouwkinderen luisteren graag naar waargebeurde verhalen over mensen die iets positiefs hebben gedaan in het verleden. De volwassene vertelt de kinderen de zes kosmische verhalen die alle leergebieden openen. Hierdoor krijgen kinderen meer respect voor het verleden en wat andere mensen voor ons gedaan hebben.
Het is belangrijk om als volwassene de kinderen te vertrouwen, ze willen onafhankelijk zijn. Ze hebben verantwoordelijkheid nodig en volwassenen moeten dat in de kinderen respecteren. De kinderen zijn niet afhankelijk van de volwassene.

Leren van elkaar

Onder- en middenbouwleerlingen zitten dichtbij elkaar in het schoolgebouw. De kinderen uit de middenbouw kunnen kinderen uit de onderbouw helpen met werkjes als deze op bezoek komen in de middenbouw.

Iedere midden- en bovenbouwgroep heeft een vast begeleidersteam.
Meer informatie vindt u ook in de Schoolgids.